naam: Tilda
geboorteplaats: Dorestad
beroep: Handwerkster
21e eeuw: Fabiën

Ik ben geboren in 801, een jaar na de kroning van keizer Karel. Ik was een klein kindje en volgens mijn moeder heb ik na mijn geboorte de rest van de nacht om me heen liggen kijken waar ik te recht was gekomen. Mijn ouders, Gunna en Ludrad, zijn een aparte combinatie. Ze waren nog erg jong toen ze elkaar ontmoetten. Mijn vader was 14 en mijn moeder vier jaar ouder. Bovendien was mijn moeder een vikingvrouw en was op pad met mijn broer, die toen nog in de luiers zat, op zoek naar zijn vader. Mijn vader woonde toen gewoon in Dorestad (zoals we nu ook doen) met zijn ouders in een handelshuis. Hij was erg gecharmeerd van die exotische dame. Meer dan dat hoeft een kind niet van weten van zijn ouders. Ik weet wel dat ze nu apart slapen.
Mijn ouders zijn kort na mijn doop, in de nieuwe kerk, verhuisd naar Ribe, waar mijn moeder oorspronkelijk vandaan komt. Samen met mijn ouders en mijn broer heb ik daar tot mijn vierde gewoond. In een klein huisje in de grote stad. Ik weet er weinig meer van. We komen nog wel jaarlijks terug in Ribe, en het huisje staat er nog steeds. Volgens mijn ouders woonden we er heel fijn, totdat we bericht kregen dat mijn oom (de broer van vader) overleden was.
Je moet weten, dat mijn grootvaders handelshuis in Dorestad best goed liep. Het is een grote, centraal gelegen handelsstad, waar van alle kanten van de wereld handelaren naar toe komen. En mijn grootvader had een talent voor zaken. En zijn oudste zoon, mijn oom, had dat van hem geërfd. Van zijn vader kreeg hij een degelijke opleiding mee en hij zou de zaak met groot succes voortzetten. Ware het niet dat hij in een roestige spijker stapte, koorts kreeg en overleed. Mijn vader, moest als tweede zoon, de zaak over gaan nemen. Ludrad was natuurlijk niet zo goed onderwezen als zijn oudere broer. Ook al had hij als contactpersoon in Ribe gediend, hij had zich voornamelijk bezig gehouden met mandenvlechten en andere zaken knutselen. Binnen het jaar overleed ook zijn vader. Ludrad nam daarna het bedrijf over.
In Dorestad verleerde ik het weinige Deens dat ik kende snel. Ik leerde handwerken van moeder. De beginselen van het spinnen had ze me in Ribe al geleerd. Mijn broer zag ik maar weinig, hij was vaak op ‘avontuur’ in de stad. Ik vond het ook altijd erg interessant in de stad, vooral als er vreemdelingen waren. Ze hadden soms uitzonderlijk kostbare zaken met zich mee, zoals zijde of gouden beelden. Dat soort dingen zag je niet bij vader in de zaak. Hij handelde vooral in houten voorwerpen, huiden en been.
6 Jaar na mijn geboorte krijg ik een zusje erbij en 2 jaar later nog een broertje. Het is erg gezellig in huis. Moeder vertelde ons vaak sagen en legenden over haar goden, ik vind het nog steeds mooie vertellingen. Ze heeft me ook leren runen lezen, erg goed ben ik er niet in, maar het zijn de enige tekens die ik kan lezen. Een toekomst als runenlezeres heeft er sowieso nooit in gezeten voor mij als Christen.
Vanaf ongeveer mijn 12e begon mijn leven te veranderen. In plaats van alleen ons jaarlijkse uitstapje naar Ribe, gingen we vaker op pad. We doen het nu nog steeds in de warmere maanden. In het begin had ik niet goed door waarom we het deden, maar later merkte ik dat het minder goed ging met vaders zaken. En dat we op reis moesten om onze boven gemiddelde levenstijl te kunnen onderhouden. Als we ’s winters in Dorestad waren was het altijd een drukte van jewelste. Het huis moest onderhouden worden, en alles moest klaar gemaakt worden voor het volgende jaar. Bovendien was er ’s winters ook altijd veel te doen in de haven. De rivier begon smaller te worden, dus elk jaar waren de mannen weer druk bezig met de kades te verlengen. Mijn broer helpt ook al jaren mee. Ik zie hem niet zo veel meer. Hij is meestal op reis. Maar ’s winters woont hij weer bij ons. Hij neemt altijd luxe spullen mee en hij heeft een talent voor sterke verhalen vertellen.
Het is nu ook winter, mijn 24e. Van de zomer gaan we weer naar Denemarken. Mijn moeder is vastbesloten daar een viking voor me te vinden. Ze is al jaren obsessief bezig met een man voor me te zoeken, ze wil kleinkinderen. Maar ik wacht tot God me een teken geeft. Die Denen vind ik maar niks, ik versta ze niet eens fatsoenlijk.