mijn site
        

Inleiding
Gunnhilda
Ludrad
Tilda
Thibald
Dorestad 825
     

Dorestad 825 - biografieën

Biografieën

naam: Ludrad

geboorteplaats: Dorestad

beroep: Handelaar in aardewerk en bont

21e eeuw: Jan-Simon



Ik ben geboren in het zestiende jaar van de regeerperiode van keizer Karel, die toen nog koning was (787), in de Friese handelstad Dorestad in de gouw Nifterlake. Mijn moeder heet Sigarda, vader heet Gerhelm en is handelaar. Mijn vaders ouders heten Ludric en Gerlinda, die van mijn moeder Radger en Adalmund. Vader koopt aardewerk van de Rijnlanders en bont van de Denen, wat hij vervolgens aan andere vreemdelingen verkoopt. Hij is daar heel handig in en verdient goed. Ik heb een vier jaar oudere broer, Dankrad, en een zes jaar jongere zus, Adalind. Twee andere zusjes zijn als zuigeling overleden. Moeder is kort na de geboorte van Adalind overleden, in 794.

We wonen in Dorestad in de benedenstad tussen de rivierarmen. De meeste handelaren en ambachtslieden wonen daar en ons huis is gelegen tussen de kades waar de schepen afmeren en de Benedenkerk* van Dorestad. In deze kerk ben ik gedoopt. Voor vader hoefde het niet zo nodig, maar hij vond het wel sjiek om zich tegenover zijn handelspartners uit Mainz en York als christen te kunnen voorstellen. Om die reden stuurt hij me naar het klooster van Sint Salvator in Utrecht. In het klooster kan ik leren lezen en misschien ook schrijven. Wellicht bevalt het kloosterleven en wil ik er blijven. Vader zou dat niet erg vinden, denk ik. Hij hoeft de zaak dan niet op te splitsen tussen zijn zoons en Dankrad zal alles erven als vader overlijdt. Dankrad is vaders favoriet.

Ik leer lezen en het Onze Vader opzeggen in het Latijn, maar ben blij als ik na een paar jaar weer naar huis mag. Veel liever dan God te dienen, hang ik rond bij de buren. Bij de ene buurman leer ik hoe je schoenen moet maken en van de andere leer ik hoe je van been kammen en dobbelstenen maakt. Vader heeft liever dat ik hem en Dankrad help en dat doe ik dan ook, maar met tegenzin. Zelf spullen maken is veel leuker dan inkopen, verkopen of ingewikkelde afspraken maken met buitenlanders…

In het jaar dat Karel tot keizer wordt gekroond gebeurt er iets belangrijks. Een grote groep handelaren uit Ribe komt in Dorestad aan. Hun knarr meert aan bij één van de kades en vader geeft mij, voor het eerst, een belangrijke opdracht. Ik moet de Denen vertellen dat bij ons goede wol uit Kent en wijnkannen uit het Rijnland te koop zijn. Normaal laat hij Dankrad dit altijd doen, hij is ook veel handiger en brutaler daarin. Met knikkende knieën betreed ik het Deense schip en voor alle verzamelde Denen moet ik aan de hoofdman vertellen dat mijn vader hun uitnodigt naar zijn winkel. De Denen zeggen iets tegen elkaar dat ik niet goed versta en lachen luid. De hoofdman, een zekere Einar die gelukkig onze taal spreekt, zegt dat hij eerst wil weten wat vaders spullen kosten voor hij van boord gaat. Zo word ik een paar dagen heen en weer gestuurd en gelukkig lachen de Denen niet meer als ik aan boord kom. Misschien is dat omdat Einar denkt dat ik de erfgenaam ben van de winkel. Ik durf niet te zeggen dat ik nog een oudere broer heb en dus niet de enige erfgenaam. Einar heeft twee van zijn kinderen meegenomen. Zijn zoon Thorfast beweert dat hij als viking heeft meegedaan aan plundertochten in Engeland. Ik blijf voor de zekerheid bij hem uit de buurt.

De dochter van Einar is ook aan boord. Zij is een stuk jonger dan Thorfast, maar nog wel een paar jaar ouder dan ik. Ze heeft lang rood haar en heet Gunnhilda. Gunna, zoals ze wordt genoemd, heeft een klein kind van nog geen jaar en blijkt op zoek naar haar man. Deze is anderhalf jaar geleden naar Dorestad vertrokken en niet teruggekeerd. Hij heeft dus zijn zoontje nog nooit gezien. Ze vraagt of ik in de stad wil vragen of iemand weet wat er met hem is gebeurd. Door de manier waarop ze het vraagt durf ik niet goed te weigeren en de volgende dag moet ik haar vertellen dat haar man vorig jaar tijdens een drinkgelag is overleden. Ik verwacht dat ze heel kwaad en verdrietig zal zijn, maar daar blijkt niets van. Ze pakt me vast en sleept me naar een plek onder het zeil. Ik blijf tot de volgende ochtend en leer die nacht heel veel…

De volgende dagen zijn we steeds samen. Ik laat Gunna heel Dorestad zien: de grote kerk van St. Maarten op de andere oever en de resten van het oude fort van de Romeinen waar je je geweldig kunt verstoppen tussen het lange gras. Ze vertelt dat ze eigenlijk nog niet terug naar Denemarken wil en aan haar vader heeft gevraagd of ze mag blijven terwijl hij naar Ribe terugvaart met zijn aankopen. Over twee maanden zal hij dan weer terugkomen met nieuwe handelswaar en haar weer oppikken. Einar is het er eigenlijk niet mee eens, maar als weduwe is Gunna nu zelfstandig dus hij vraagt zijn (intussen goede) handelspartner Gerhelm of Gunna en de kleine Thorvalt bij hem kunnen logeren. Mijn vader vindt het prima, hij denkt vooral aan de prachtige bontvellen die Einar hem levert.

De dagen vliegen voorbij en de twee maanden zijn bijna voorbij als Gunna verrassend nieuws heeft: ik word vader! Dit verandert de zaak nogal en als Einar terug is in Dorestad wordt er duchtig onder-handeld tussen hem en mijn vader. Als de vaders het eens zijn over de bruidschat die door de beide partijen wordt betaald wordt het huwelijk gesloten. Einar en Gunna willen er absoluut geen pastoor bij hebben, volgens hen is dat nergens voor nodig. De presbyter wilde trouwens toch niet komen. Hij sprak er schande van, zei dat ik veel te jong was en dat het van Paus Leo niet mocht. Nadat hij dat gezegd had tegen vader ging hij weer terug naar zijn vrouw en kinderen.

Gunna en ik blijven voorlopig bij vader in Dorestad wonen, maar het is de bedoeling dat we als het kind geboren is naar Ribe gaan. Vader wil een vertegenwoordiging in Denemarken hebben en Dankrad wil ons liever gewoon weg hebben. Hij heeft een hekel aan Gunna, hij vindt dat ze zich te veel overal mee bemoeit en zegt dat het een slechte zaak is dat ik niet met een Frankische getrouwd ben. Ik voel dat vader er ook zo over denkt. Hij en Dankrad zijn het altijd eens.

Een week na Pinksteren, in het jaar na de kroning van Keizer Karel in Rome, wordt onze dochter geboren. Een mooi meisje dat wordt gedoopt als Trudhilde, maar iedereen noemt haar Tilda. Na een jaar vertrekken we naar Ribe. We wonen in een klein huisje met rode muren, vlakbij het markt-terrein. Het is een gelukkige tijd, ik koop allerlei spullen in waarvan ik denk dat ze in Dorestad in trek zijn en laat ze met Einars knarr daar heen brengen. Gunna spint en weeft en zorgt voor de kleine Tilda en mijn stiefzoontje Thorvalt. Als er vier jaar voorbij zijn komt er slecht nieuws uit Dorestad. Dankrad is in een spijker gestapt. De wond is gaan ontsteken en hij is gestorven, zonder vrouw en kinderen. Ik ben nu de enige erfgenaam en vader wil dat ik zo snel mogelijk terugkom naar Dorestad, want hij kan de zaak niet langer alleen draaiend houden.

Terug in Dorestad moet ik nu echt aan het werk. Vaders gezondheid wordt minder en al ben ik nog geen twintig, ik moet steeds vaker alleen de zaken regelen. Liever zou ik de dagen vullen met mandenvlechten, iets wat ik in Ribe heb geleerd, maar met een gezin kun je niet lanterfanten, dus ik werk van zonsopgang tot zonsondergang, zodat mijn gezin niets te kort komt. Als er tijd voor is maak ik nog wel eens een mandje, dat ik dan verkoop of ruil. Tilda vindt het geweldig om te kijken hoe ik bezig ben met de wilgentenen. Gunna kijkt dan toe terwijl ze aan het spinnen is, met de kleine Litgarda en Hildirad, die zes en acht jaar jonger zijn dan Tilda, aan haar rokken hangend. We gaan nog elk jaar terug naar Ribe. Gunna denkt dat het is vanwege ons handelshuis, dat ik Rijnlandse spullen moet verkopen op de markt van Ribe, maar eigenlijk hoef ik daarvoor niet die hele reis te maken. Ik kan het ook gewoon aan Thorfast meegeven en zeggen wat ik er voor wil hebben. Gunna, Tilda en de kleintjes vinden het in ieder geval fantastisch en ik moet zeggen dat ik er ook erg graag kom, ook al heb ik vaak ruzie met mijn zwager. Hij vindt het maar niets dat zijn schoonfamilie christelijk is, en de kinderen alle drie zijn gedoopt.

Jaren verstrijken: de loop van de rivier verandert. De schepen uit Engeland en Denemarken kunnen niet meer bij de kades aanleggen en wij, de ambachtslieden en handelaars van de Benedenstad, moeten elke winter de kades verlengen. Het is zwaar werk, maar het moet. We hebben goede jaren gehad met de handel, alleen lijken nu de magere jaren gekomen. Vader is ongeveer een jaar nadat we terugkeerden naar Dorestad overleden en mijn zus is getrouwd, dus we wonen nu met het gezinnetje in het huis van mijn ouders. Thorvalt is onlangs met zijn oom Thorfast meegegaan naar Ribe. Hij is nu vijftien en oud genoeg om mee te gaan op de handelsreizen van zijn oom.

Weer tien jaar later: Keizer Karel is kort nadat Thorvalt naar Denemarken vertrok overleden, zijn zoon Lodewijk is nu al een tijd keizer. Lodewijk is een zeer gelovig man, net als ik, dus er zullen nu vast betere tijden aanbreken. Al is het ongepast Gods voorzienigheid in twijfel te trekken, het gaat steeds minder met de handel. De rivier blijft zich terugtrekken en de kades zijn nu zo lang dat alleen een geoefende boogschutter een pijl van het begin naar het einde van de kade kan schieten. Het begint wat onhandig te worden en er komen lang niet meer zoveel schepen als vroeger, toen ik nog een kleine jongen was. Ik heb toen de zaken nog goed gingen de beenbewerkerswerkplaats van de buurman overgenomen. Zijn zonen waren vroeg gestorven en ik heb hem een goede prijs gegeven waarvan hij met zijn vrouw nog tot het einde hunner dagen heeft kunnen leven. Ik heb iemand aangesteld voor de dagelijkse leiding, een jongeman genaamd Thibald die een aantal jaren geleden met zijn ziel onder zijn arm bij me aanklopte. Hij is een aardige jongen, leergierig en met een klein loon tevreden, dus ik ben maar al te blij hem in dienst te hebben. Op zich redt hij het alleen, maar ik ga vaak langs want ik mag graag zelf wat knutselen in de werkplaats.
Het handelshuis alleen levert niet meer voldoende op, we zijn genoodzaakt om ’s zomers de markten af te reizen om in ons onderhoud te voorzien. Ik verkoop de spullen die ik nog vanuit het buitenland ontvang, plus allerlei dingen die ik zelf maak van bot of wilgenteen. De vrouwen zijn goede handwerksters en kunnen zo ook voor wat extra inkomsten zorgen. Gunna is er erg op gebrand dat we veel geld verdienen, want ze begint zich zorgen te maken over Tilda. Ze is nog altijd niet getrouwd en Gunna en ik willen graag kleinkinderen. Er moet dus voldoende geld zijn voor de bruidschat.
Tilda gaat elke dag naar de kerk om te bidden naar God en de heilige Margaretha dat ze maar snel een man mag vinden en kinderen krijgt, maar het heeft nog niet geholpen. Als ik tijd heb ga ik ook naar de kerk en prevel dan mijn gebed, wetend dat er misschien weer ruzie komt met Gunna die meer vertrouwt op Freya. Na de geboorte van onze zoon besloot Gunna dat we geen vierde kind zouden krijgen. Het is goed, ik ben haar dankbaar omdat ze mij een zoon geschonken heeft, die op de tijd die alleen God kent, het handelshuis van mij zal overnemen. Thorvalt komt op ongeregelde tijden langs met dure cadeaus voor zijn moeder dure cadeaus die hij in Byzantium of Birka heeft gekocht (ik hoop tenminste dat hij er voor betaalt).’s Winters logeert hij meestal langere tijd bij ons en helpt hij me in de werkplaats en de winkel. Het is een goede jongen en ik kan zijn hulp goed gebruiken. In het voorjaar trekt hij er weer op uit, met als enig doel de westelijke kust…

Het is nu het jaar onzes Heren DCCCXXV. Zoals ieder jaar gaan we in de zomer Gunna’s familie in Ribe bezoeken. We hopen dat we een schoonzoon mee kunnen nemen dit keer… Ik sprak onlangs nog een vrouw uit Birka die helemaal naar Dorestad was gekomen om zich te laten dopen. Volgens haar waren er meer christenen onder de Vikingen en reisden missionarissen vanuit het Frankenland naar de steden om mensen te bekeren. Ik ben benieuwd of er in Ribe nu ook een kerk is. Het is duidelijk, er breken nieuwe tijden aan.

Literatuur:

W.A. van Es / W.J.H. Verwers – Excavations at Dorestad 1, the Harbour: Hoogstraat I (1980)
G. Faber – De Franken (1981)
D. Jellema – Frisian trade in the dark ages (in: Speculum, Vol. 30, No. 1. (Jan. 1955))
H. Halbertsma – Frieslands Oudheid (2000)
C. van Rhijn – Shepherds of the Lord; priests and Episcopal statutes in the Carolingian period (2003)
J. Jesch – Women in the Viking Age (1991)

* het bestaan van de Benedenkerk is niet onomstreden. Volgens Van Es is het niet zeker dat de gevonden bouwresten bij een kerk hoorden. Halbertsma daarentegen is er 100% van overtuigd dat deze kerk is teruggevonden.

© Dorestad 825, 2008-2009